Symptomen en syndromen
Thema

Symptomen en syndromen

Mensen in de palliatieve fase hebben vaak meerdere klachten en zorgen tegelijk. Die klachten en zorgen betreffen niet alleen de lichamelijke dimensie, maar ook de psychische, sociale en zingevings/spirituele dimensie. Als zorgprofessional herken je die klachten en zorgen, breng je ze in kaart en stem je de zorg erop af. 

De Meting Welbevinden Palliatieve Zorg is drie jaar op rij in oktober uitgevoerd door PZNL/NPPZ II, met het Utrecht Symptoom Dagboek – 4-dimensioneel (USD-4D). Patiënten noemen daarin drie klachten en zorgen het vaakst: dierbaren niet los kunnen laten, vermoeidheid en zorgen over het levenseinde. Dezelfde drie klachten scoren ook het hoogst op de NRS-schaal, met dierbaren loslaten als zwaarste last. Dit patroon was vergelijkbaar in 2023, 2024 en 2025 (PZNL. Inzet USD-4D maakt zichtbaar wat er voor de patiënt toe doet. Palliaweb, 7 april 2026.). Sociale en zingevings- en spirituele klachten en zorgen wegen voor patiënten zwaarder dan zorgprofessionals vaak verwachten. Toch richten zorgprofessionals zich in de praktijk nog te vaak uitsluitend op lichamelijke klachten (De Graeff A, Ausems M. Meer aandacht voor palliatieve zorg. NTVG 2023;167:D7809) 

Goede symptoomherkenning is de basis voor alle vervolgstappen in de palliatieve zorg: samen beslissen, het inzetten van gerichte interventies en proactieve zorgplanning. Mis je een klacht of zorg, of beoordeel je die verkeerd, dan mis je ook de kans om het gesprek aan te gaan en tijdig in te grijpen. Vroeg en herhaald inventariseren maakt het verschil, zeker bij aandoeningen met een onvoorspelbaar beloop zoals COPD, hartfalen en dementie. 

Op deze pagina lees je wat symptomen en syndromen zijn, welke het vaakst voorkomen, en hoe je ze in kaart brengt en bespreekbaar maakt. 

Voor vragen, neem contact op met:
Laatst geactualiseerd: 30 september 2026


Wat zijn symptomen en syndromen?

Een symptoom is een klacht of zorg die de patiënt zelf ervaart op lichamelijk, psychisch, sociaal en/of zingevings/spiritueel gebied. Een symptoom is per definitie een subjectieve beleving. Niet jij bepaalt waar een patiënt last van heeft, maar de patiënt zelf. De ernst en de betekenis die de patiënt eraan geeft, bepalen de mate van lijden. 

In het Engels wordt onderscheid gemaakt tussen: 

  • ‘symptoms' (de klacht van de patiënt), en 
  • ‘signs' (objectief waarneembare tekenen of uitingen van een symptoom). De ‘signs' bij dyspneu kunnen bijvoorbeeld zijn een snelle ademhaling, cyanose of de waarneming dat een patiënt niet in staat is om volledige zinnen uit te spreken vanwege zijn dyspneu. In het Nederlands bestaat geen goed equivalent voor ‘sign'. 

De hoeveelheid en ernst van symptomen nemen doorgaans toe naarmate de ziekte voortschrijdt. 

Een syndroom is een samenhangend geheel van symptomen met een gemeenschappelijke ontstaanswijze. Voorbeelden zijn het anorexie-cachexie-syndroom en het delier.  

Een symptoom is zelden puur lichamelijk. Elk symptoom heeft meerdere dimensies die elkaar beïnvloeden. 

Lichamelijk: 

  • Pathofysiologisch: het mechanisme dat tot het symptoom leidt 
  • Sensorisch: de gewaarwording van het symptoom 
  • Functioneel: de gevolgen voor het fysiek functioneren 

Psychisch: 

  • Affectief: emotionele problemen die veroorzaakt worden door, samengaan met of van invloed zijn op het symptoom 
  • Cognitief: begrip van het symptoom en gedachten hierover 

Sociaal: 

  • Gedrag en interactie met de omgeving 
  • Gevolgen van het niet meer kunnen vervullen van rollen in het sociale systeem 

Zingevend/spiritueel: 

  • Gedachten, gevoelens en vragen die het symptoom oproept over persoonlijke zin- en betekenisgeving, het ziekteverloop en het levenseinde 

Voorbeeld: Uitgebreide longmetastasering (pathofysiologisch) leidt tot ernstige kortademigheid (sensorisch). De patiënt past activiteiten aan en verliest sociale rollen (sociaal). De gedachte te kunnen stikken (cognitief) leidt tot angst (affectief). De confrontatie met de eigen sterfelijkheid roept zingevingsvragen op (spiritueel). 

Dit voorbeeld laat zien waarom je een symptoom nooit op slechts één dimensie kunt en moet beoordelen en waarom de zorg op alle vier de dimensies gericht moet zijn. 

Naar boven
 

Welke symptomen komen het meest voor? 

Klachten en zorgen variëren per aandoening en per fase van het ziekteproces. Hieronder staan de meest voorkomende symptomen per ziektecategorie. Gebruik dit als achtergrondkennis, maar inventariseer altijd bij de individuele patiënt, want ieder mens heeft zijn eigen klachten en ervaart deze klachten anders. 

Zie hiervoor Tabel 1. Vermoeidheid, pijn, gebrek aan energie, zwakte en gebrek aan eetlust komen bij meer dan de helft van de patiënten met kanker in de palliatieve fase voor (3 Teunissen SC et al. Symptom prevalence in incurable cancer: a systematic review. J Pain Symptom Manage 2007;34:94–104 ).

In de stervensfase verschuift het beeld: vermoeidheid, zwakte, gewichtsverlies, sufheid en verwardheid doen zich vaker voor, terwijl pijn minder frequent voorkomt. 

Door de komst van immunotherapie en doelgerichte therapie kan enerzijds de symptoomlast bij kanker nu ook langer stabiel blijven of tijdelijk afnemen, voordat er een achteruitgang optreedt. Anderzijds kunnen symptomen optreden door bijwerkingen van behandeling. Houd hier rekening mee bij de frequentie van inventarisatie. 

Tabel 1. Prevalentie van symptomen bij patiënten met kanker in de palliatieve en terminale fase (Teunissen 2007)

Symptoom 

Prevalentie 

Prevalentie in de laatste 1-2 weken 

Vermoeidheid 

74% 

88% 

Pijn  

71% 

45% 

Gebrek aan energie 

69% 

  

Zwakte 

60% 

74% 

Gebrek aan eetlust  

53% 

56% 

Gespannenheid 

48% 

  

Gewichtsverlies  

46% 

86% 

Droge mond 

40% 

34% 

Somberheid 

39% 

19% 

Obstipatie 

37% 

29% 

Zich zorgen maken 

36% 

  

Slaapproblemen 

36% 

14% 

Kortademigheid 

35% 

39% 

Misselijkheid 

31% 

17% 

Angst 

30% 

30% 

Prikkelbaarheid 

30% 

7% 

Opgeblazen gevoel 

29% 

  

Hoesten 

28% 

14% 

Cognitieve symptomen 

28% 

  

Snelle verzadiging 

23% 

  

Smaakveranderingen 

22% 

  

Pijn in de mond  

20% 

  

Braken  

20% 

13% 

Sufheid  

20% 

38% 

Oedeem  

19% 

8% 

Mictieklachten 

18% 

6% 

Duizeligheid 

17% 

7% 

Dysfagie 

17% 

16% 

Verwardheid 

16% 

24% 

Bloedingen 

15% 

12% 

Neurologische klachten 

15% 

32% 

Heesheid 

14% 

  

Dyspepsie 

12% 

2% 

Huidsymptomen 

11% 

16% 

Diarree  

11% 

6% 

Jeuk  

10% 

  

Hik  

7% 

  

Zie hiervoor Tabel 2. Bij hartfalen en COPD zijn kortademigheid en vermoeidheid de meest voorkomende klachten. Bij COPD komen bovendien hoesten, pijn, slaapproblemen, klachten van de mond, somberheid, angst en gebrek aan eetlust bij meer dan de helft van de patiënten voor (Janssen DJA et al. Daily symptom burden in end-stage chronic organ failure: a systematic review. Palliat Med 2008;22:938–948).

Bij nierfalen staan vermoeidheid, jeuk, oedeem, kortademigheid, pijn en klachten van de mond op de voorgrond. 

Klachten bij orgaanfalen wisselen sterk, een exacerbatie kan de symptoomlast plotseling fors verhogen. Juist bij deze groep patiënten is regelmatige herhaalde inventarisatie essentieel. Gebruik een moment van herstel na een exacerbatie ook als aanleiding voor een gesprek over wensen en grenzen. 

Tabel 2. Prevalentie van symptomen bij patiënten met een gevorderd stadium van hartfalen, COPD en nierfalen [Janssen 2008] 

  

Hartfalen 

COPD 

Nierfalen 

  

Laatste jaar 

Laatste 1-2 weken 

Laatste jaar 

Laatste 1-2 weken 

Laatste jaar 

Laatste 1-2 weken  

Vermoeidheid 

69% 

78% 

68% 

80% 

82% 

  

Kortademigheid 

72% 

62% 

94% 

90% 

52% 

34% 

Slaapproblemen 

45% 

  

65% 

51% 

47% 

  

Pijn 

41% 

42% 

68% 

49% 

52% 

49% 

Klachten van de mond 

27% 

  

63% 

48% 

52% 

  

Hoesten 

35% 

  

70% 

52% 

47% 

  

Gebrek aan eetlust 

31% 

  

51% 

64% 

48% 

  

Somberheid 

23% 

  

59% 

55% 

26% 

25% 

Angst 

30% 

  

53% 

  

27% 

25% 

Obstipatie 

37% 

  

36% 

25% 

28% 

  

Verwardheid 

29% 

17% 

23% 

22% 

  

26% 

Misselijkheid 

25% 

20% 

4% 

  

39% 

13% 

Oedeem  

39% 

43% 

  

  

55% 

21% 

Duizeligheid 

21% 

35% 

  

  

44% 

  

Jeuk  

12% 

  

  

  

62% 

22% 

Bij mensen met dementie in de palliatieve fase staan pijn, verminderde mobiliteit, slaapstoornissen en verminderde werking van de zintuigen op de voorgrond. Daarnaast komen eetproblemen, ademhalingsproblemen en angst veel voor. Agitatie, apathie, depressieve symptomen en gedragsproblemen komen ook regelmatig voor in het beloop van de ziekte en leiden tot een lagere kwaliteit van leven (Richtlijn Palliatieve zorg voor mensen met dementie. Verenso, 2023.)

Klachten zijn bij deze groep patiënten vaak moeilijker te inventariseren, omdat patiënten ze minder goed kunnen verwoorden. Observatie door zorgprofessionals en naasten is daarom essentieel, naast wat de patiënt zelf aangeeft. Gebruik gevalideerde observatie-instrumenten zoals de PAINAD (pijn) of de DOS (delier). Betrek naasten actief bij de signalering. 

Naar boven

 

Hoe pas je dit toe in je werk? 

Breng alle dimensies in kaart 

Beperk je inventarisatie niet tot lichamelijke klachten. Vraag ook naar psychische klachten, sociale zorgen en wat de patiënt bezighoudt rond zingeving en levenseinde. Dat kan direct en kort: ‘Waar maakt u zich zorgen over?’ of ‘Wat houdt u bezig?’ 

Neem een anamnese af en verricht een lichamelijk onderzoek 

Symptoombestrijding begint met een gestructureerde en methodische inventarisatie van ieder symptoom door middel van een goede anamnese. Hierbij wordt aandacht besteed aan de: 

  • aard en de ernst van het symptoom.
  • gevolgen ervan voor het lichamelijk functioneren (ook wel gemeten als (palliatieve) performance status).
  • affectieve, cognitieve, sociale en spirituele dimensies.
  • last die de patiënt ervan heeft (het symptoomlijden).
  • gevolgen voor de naasten. 

Daarnaast wordt een gericht lichamelijk onderzoek verricht. 

Overweeg aanvullend onderzoek 

Aanvullende diagnostiek (bijv. laboratoriumonderzoek, röntgenonderzoek, endoscopisch onderzoek) wordt verricht als dit haalbaar en zinvol is en als de patiënt dit wil. Belangrijke overwegingen bij de besluitvorming ten aanzien van diagnostiek zijn de lichamelijke toestand van de patiënt, de ingeschatte levensverwachting en de therapeutische consequenties van de uitslag. 

Gebruik meetinstrumenten 

Patiënten in de palliatieve fase brengen klachten en zorgen niet altijd uit zichzelf ter sprake. Meetinstrumenten helpen dit gat te overbruggen: ze maken bespreekbaar wat anders onbesproken blijft.  

Wanneer gebruik je welk meetinstrument? 
Meetinstrumenten kun je indelen naar vier functies, die je gericht en achtereenvolgens inzet: signaleren, monitoren, verdiepen en diagnosticeren. 

  • Signaleren: het in kaart brengen van actuele problemen, klachten en behoeften. Signaleringsinstrumenten zijn verkennende vragenlijsten op lichamelijk, psychisch, sociaal en spiritueel gebied, meestal met ja/nee-antwoorden. Een voorbeeld is de Lastmeter. 
  • Monitoren: het (ver)volgen van klachten en behoeften op herhaalde momenten, om veranderingen op te merken en het effect van interventies te evalueren. Monitoringsinstrumenten zijn geschikt voor herhaald gebruik, vaak door de patiënt zelf in te vullen. 
  • Verdiepen: verder uitvragen van een klacht die al is gesignaleerd, om aard en ernst preciezer in beeld te krijgen. Een voorbeeld is de HADS (angst en depressie). 
  • Diagnosticeren: vaststellen of een klacht aan specifieke diagnostische criteria voldoet. Een voorbeeld is de DOS-schaal (delier). 

Het USD-4D combineert de signalerings- en monitoringsfunctie: het signaleert waar de patiënt last van heeft, én je zet het herhaald in om het beloop te monitoren en het effect van interventies te evalueren. 

Voor het meten van de ernst van een symptoom gebruik je bij voorkeur een Numeric Rating Scale (NRS): een schaal van 0 (geen last) tot 10 (ergst denkbare intensiteit). Een score van 4 of hoger is klinisch relevant en vraagt om actie. Een klinisch relevante verbetering is een afname van minimaal 2 punten of 30%  (Farrar JT et al. Clinical importance of changes in chronic pain intensity measured on an 11-point numerical pain rating scale. Pain. 2001;94(2):149–158.)

Het Utrecht Symptoom Dagboek - 4 Dimensioneel (USD-4D) brengt klachten en zorgen in kaart op de lichamelijke, psychische en socio-spirituele dimensie met behulp van een Numeric Rating Scale (NRS). Patiënten geven zelf aan welke klachten en zorgen ze ervaren, de ernst ervan en welke het eerst aandacht nodig hebben. Dat geeft hen regie en maakt bespreekbaar wat anders misschien niet aan de orde komt. 

Het USD-4D is gevalideerd voor gebruik bij patiënten in de palliatieve fase in Nederland en helpt om klachten en zorgen op lichamelijk, psychisch en socio-spiritueel gebied systematisch in kaart te brengen (Lormans T, De Graaf E et al. Validating the socio-spiritual items of the Utrecht Symptom Diary-4 Dimensional. Palliative Medicine, 2025.) 

Patiënten vullen het USD-4D zelf in, op papier of digitaal via de webapplicatie. De uitkomsten gebruik je als gespreksbasis: wat scoort hoog? Wat wil de patiënt als prioriteit bespreken? 

Uit de Meting Welbevinden Palliatieve Zorg 2025 blijkt dat zorgprofessionals enthousiast zijn: 95% ervaart het USD-4D als zeer waardevol, 86% vindt dat het een gesprek met een patiënt makkelijker maakt en 90% wil het vaker inzetten (PZNL. Inzet USD-4D maakt zichtbaar wat er voor de patiënt toe doet. Palliaweb, 7 april 2026) 

Meer informatie en de digitale versie vind je op Palliaweb.nl. 

Naar boven
 

Video: woorden geven aan gevoel 

In de video ‘Woorden geven aan gevoel’ gaan patiënt en zorgprofessional in gesprek over het welbevinden op alle vier dimensies met behulp van het Utrecht Symptoom Dagboek – 4 dimensioneel (USD-4D). De video laat zien wat er praktisch gebeurt en hoe deze gesprekken waardevol en helpend zijn voor zowel patiënt als zorgverlener.  

Stem interventies af op de levensverwachting 

De ingeschatte levensverwachting is een cruciaal ijkpunt bij elke beslissing in de palliatieve zorg, niet alleen bij diagnostiek, maar ook bij de keuze van behandelingen, medicatie en preventieve maatregelen. 

Een paar voorbeelden maken dat concreet: 

Medicatie die twee tot vier weken nodig heeft om aan te slaan, zoals een antidepressivum, kan zinvol zijn bij een levensverwachting van maanden, maar heeft geen zin meer bij een verwachting van enkele weken.  

Aanvullende diagnostiek is alleen zinvol als de uitslag direct leidt tot een interventie die de patiënt merkbaar helpt; bij een levensverwachting van dagen weegt de belasting van onderzoek vrijwel altijd zwaarder dan de opbrengst. 

En decubituspreventie verandert van karakter: bij maanden is behoud van huidintegriteit een reëel doel, in de stervensfase is wisselligging alleen nog zinvol als de patiënt er zelf baat bij heeft, niet als belastende routine. 

De vraag die je jezelf bij elke interventie stelt: wat levert dit op voor deze patiënt, op dit moment? 

Werk samen 

Goede diagnostiek en behandeling van symptomen vraagt om betrokkenheid van meerdere disciplines, bijv arts, verpleegkundige, fysiotherapeut, diëtist, maatschappelijk werker, psycholoog en/of geestelijk verzorger. Bespreek bij moeilijk behandelbare symptomen de uitkomsten in een multidisciplinair overleg of patiëntbespreking. 

Herhaal de inventarisatie 

Symptomen veranderen in de loop van het ziekteproces. Wat vandaag het meest belastend is, kan volgende week anders zijn. En omgekeerd; Wat vandaag geen probleem is, kan dat later wel worden. Hoe je dat systematisch aanpakt, lees je op de themapagina Palliatief redeneren. Gebruik het USD-4D als terugkerend gespreksinstrument, niet als eenmalige meting.  

Naar boven
 

Meer informatie

Richtlijnen 

Richtlijnen per symptoom (pijn, vermoeidheid, delier, angst, kortademigheid, etc.) 

Bronnen 

Naar boven

 

Voor vragen, neem contact op met:
Laatst geactualiseerd: 30 september 2026
Mail de redactie
Mail de redactie met jouw evenement, nieuws of tool waar anderen baat bij kunnen hebben. Suggesties of klachten over informatie zijn ook zeer welkom. Met jouw inbreng kunnen we Palliaweb verbeteren.