Kerncijfers: Palliatieve Zorg in de huisartsenpraktijk

Kerncijfers: Palliatieve Zorg in de huisartsenpraktijk

De huisarts vervult een belangrijke rol bij het verlenen van palliatieve zorg in de thuissituatie en heeft een zorg-, coördinatie- en gidsfunctie. 

In de SentiMELC studie worden gegevens verzameld over zorg in de laatste levensfase. Deze worden geregistreerd door huisartsen die aangesloten zijn bij de zogenoemde ‘huisartsenpeilstations’. Uit de jaren 2023 en 2024 zijn gegevens beschikbaar van 339 patiënten van wie het overlijden niet plotseling en onverwacht was. Van deze patiënten had 44% kanker, 19% orgaanfalen en 24% ouderdom of dementie.13% van de patiënten had een andere doodsoorzaak, bijvoorbeeld diabetes.

Onderwerpen besproken met patiënt en naasten

De huisarts kan spreken over het naderende levenseinde en opties voor levenseindezorg met zowel de patiënt als de naaste(n) van de patiënt. In totaal bespreekt de huisarts met 69% van de patiënten het naderende levenseinde en met 55% worden de opties voor levenseindezorg besproken. Daarnaast spreekt 70% van de naasten met de huisarts over het naderende levenseinde en 55% over opties voor levenseindezorg. In vergelijking met 2021-2022 wordt zowel het gesprek over opties voor levenseindezorg als het naderende levenseinde minder vaak met de huisarts gevoerd. Het bespreken van opties voor levenseindezorg met de huisarts daalde voor patiënten van 62% naar 55% en voor naasten van 63% naar 55%. Het bespreken van het naderende levenseinde met naasten nam af van 74% naar 70%. 

Er wordt relatief vaak gesproken over het naderende levenseinde met patiënten met kanker (84%) en hun naasten (77%). Bij patiënten met dementie of ouderdom wordt vaker gesproken met de naasten (81%) dan met de patiënt zelf (64%). Opties voor levenseindezorg worden vaker besproken met patiënten met kanker (73%) en hun naasten (67%) dan met patiënten met orgaanfalen (52%) en hun naasten (49%).

Belangrijke behandeldoelen

Huisartsen hebben aangegeven wat de insteek van het behandeldoel was: curatie, levensverlenging of palliatie. Dit is teruggerekend naar 8-12 weken, 2-4 weken en 1 week voor overlijden van de patiënt. 8-12 weken voor overlijden noemen huisartsen palliatie het vaakst als belangrijk behandeldoel (62%).  Naarmate het overlijden nadert, worden deze palliatieve behandeldoelen steeds belangrijker, terwijl curatieve en levensverlengende behandeldoelen steeds minder als belangrijk worden gerapporteerd. Dit patroon van toenemend belang van palliatie was ook zichtbaar in de periode van 2009-2011 (artikel), en in 2021-2022. In vergelijking met eerdere jaren is palliatie in de laatste 8-12 weken voor overlijden een belangrijker behandeldoel geworden. Dit geldt zowel voor patiënten met kanker als voor patiënten met orgaanfalen. Met name bij patiënten met orgaanfalen is het aandeel gerapporteerde curatieve of levensverlengende behandeldoelen in deze fase afgenomen: waar dit in 2021–2022 nog bij ongeveer een op de drie patiënten het geval was in de laatste 4-2 weken voor overlijden, is dit in 2023–2024 gedaald naar respectievelijk 15% en 20%

Multidisciplinair overlegmoment

Voor minder dan de helft van de patiënten (43%) geldt dat er in de laatste levensmaand een multidisciplinair overleg heeft plaatsgevonden waar de huisarts bij betrokken was. Voor patiënten met orgaanfalen was dit het minst vaak (33%) en voor patiënten met dementie of ouderdom het vaakst (53%)

Palliatieve zorg verleend tot aan overlijden

De huisarts heeft aan ongeveer driekwart van de patiënten met kanker (72%) en dementie of ouderdom (73%) palliatieve zorg verleend tot aan het overlijden van de patiënt. Voor de patiënten met orgaanfalen was dit maar voor iets meer dan de helft (58%) van de patiënten het geval. Wel is dit een toename in vergelijking met de periode van 2021-2022, waarin de huisarts minder vaak palliatieve zorg verleende aan patiënten met orgaanfalen (52%).

Overlijden op locatie van voorkeur

In totaal overleed 71% van de patiënten op de plaats van voorkeur. Bij 10% werd hier niet aan voldaan. Bij de overige 19% is het niet bekend wat de voorkeursplaats van overlijden was. Patiënten die zijn overleden aan kanker, overleden vaak op de voorkeurslocatie zoals bekend bij de huisarts (81%). Dit geldt in mindere mate voor patiënten die zijn overleden aan orgaanfalen (64%) of aan dementie of ouderdom (74%). Ten opzichte van 2021-2022 zijn er geen opvallende verschuivingen te zien. 

Patiënten die zijn overleden aan kanker of orgaanfalen overleden het vaakst thuis, respectievelijk 65% en 47%. Patiënten die zijn overleden aan dementie of ouderdom overleden het vaakst in een verzorgings- /verpleeghuis (48%). Ook overleden patiënten met dementie of ouderdom ten opzichte van 2021-2022 minder vaak thuis (29% vs. 42%) en vaker in het ziekenhuis (5% vs. 12%) of een hospice (7% vs. 12%). .

Bijna alle patiënten (98%) die thuis overleden, hadden bij de huisarts aangegeven dat dit hun voorkeurslocatie was. Dit geldt ook voor ongeveer driekwart van de patiënten die in een hospice of palliatieve unit (79%) of een verzorgings- of verpleeghuis (68%) overleed. Van slechts 3% van de patiënten die in het ziekenhuis overleed, was dit de voorkeurslocatie volgens de huisarts.

Voor het opstellen van de pagina is informatie gebruikt van de resultaten uit 2021 en 2022 en 2023-2024 van de SentiMELC studie en van dit artikel van Evans et al.

De kerncijfers worden mogelijk gemaakt door IKNL

Voor vragen, neem contact op met:
Heidi Fransen IKNL (Integraal Kankercentrum Nederland)
Laatst geactualiseerd: 6 mei 2026
Niet gevonden wat je zocht?
Was deze informatie nuttig voor je?
Bedankt voor je hulp, we hebben je feedback ontvangen.
Was deze informatie nuttig voor je?
Wil je kort toelichten wat je waardevol vond?
Wat miste je?
This site is protected by reCAPTCHA and the Google Privacy Policy and Terms of Service apply.